
Als kind ging ik vaak met mijn ouders en broers en zusje fietsen. Op aandringen van mijn jongste broer en mij deden we dat geregeld in het bos tussen Putten, Garderen en Ermelo. Wij hoopten dan dat we pauze zouden gaan houden bij het stuk hei wat ook in gebruik was als oefenterrein voor de landmacht. Tussen de hoge heidestruiken waren dan twee blonde koppies te vinden die heen en weer stuiterden van de spanning. Je kon er namelijk kogels vinden. Losse flodders natuurlijk, maar wat deed dat er toe? Met een beetje mazzel vonden we dan ook nog schakels waarmee die kogels aan elkaar gehaakt zaten. Als we er daar genoeg van gevonden hadden, konden we een riem maken van in elkaar gehaakte kogels. En dan thuis op straat rambo’tje spelen. Stoerder ben ik nooit meer geweest.
Om op die hei te komen fietsten we over een lang schelpenpad door het bos. Die heenweg was altijd een behoorlijke beproeving. Met korte kinderbeentjes en kleine slagen met kleine trappertjes was het steevast hard werken om bij te blijven. Wat de tocht nog verder bemoeilijkte was dat het pad over de hele afstand licht helde. Op die leeftijd kon ik het moeilijk bevatten. Alles stond gewoon recht. Het pad was vlak. Waarom had ik dan het gevoel alsof ik een berg aan het beklimmen was? Met het einddoel in zicht doorstond ik evengoed de ontberingen.
Nu zit ik weer op dat kinderfietsje. Ogenschijnlijk staat niets me in de weg om mijn einddoel te bereiken. Een vlakke weg tot aan de horizon. Maar ik trap me het lazarus. Te korte beentjes. Te kleine slagen. En een lichte helling. En weer heb ik geen idee waar die helling vandaan komt. Wat mij zo vertraagd. Vermoeid.
Het einddoel is echter duidelijk. En dit maal zijn het geen losse flodders.